Hoge Raad schept duidelijkheid: klachtplicht niet van toepassing bij bestuurdersaansprakelijkheid 

 

De Hoge Raad heeft duidelijkheid gegeven over een belangrijke vraag voor bestuurders en bedrijven: kan een bestuurder die wordt aangesproken op onbehoorlijk bestuur (ECLI:NL:HR:2024:681) zich verdedigen door te stellen dat de onderneming te laat heeft geklaagd over zijn handelen? De conclusie: dit is niet mogelijk. Maar wat betekent dit nu concreet in de praktijk?

Wat is de klachtplicht?
De klachtplicht is geregeld in artikel 6:89 van het Burgerlijk Wetboek (BW). Deze verplicht schuldeisers om binnen een ‘bekwame tijd’ te klagen zodra zij een gebrek in een prestatie ontdekken. Doen zij dit niet, dan kunnen zij geen beroep meer doen op dat gebrek. Deze regel is bedoeld om snel duidelijkheid te geven in geschillen en te voorkomen dat klachten blijven liggen.

Wat is bestuurdersaansprakelijkheid?
Bestuurdersaansprakelijkheid is geregeld in artikel 2:9 BW en gaat over de verantwoordelijkheid van een bestuurder binnen een rechtspersoon (zoals een B.V. of N.V.). Bestuurders moeten hun taken naar behoren vervullen. Als een bestuurder zijn taken ernstig verwaarloost en de rechtspersoon lijdt daardoor schade, kan hij persoonlijk aansprakelijk worden gesteld.

Geldt de klachtplicht ook bij bestuurdersaansprakelijkheid?
De discussie ging over de vraag of een bestuurder zich kan beroepen op de klachtplicht wanneer hij wordt aangesproken op onbehoorlijk bestuur. De Hoge Raad heeft nu bevestigd dat de klachtplicht uit artikel 6:89 BW niet van toepassing is bij bestuurdersaansprakelijkheid onder artikel 2:9 BW. Dit komt omdat de relatie tussen een bestuurder en de rechtspersoon niet gaat over een gewone verbintenis (zoals een koopovereenkomst), maar over een vennootschapsrechtelijke verhouding. Artikel 6:89 BW is dus niet van toepassing.

Daarnaast zou het in de praktijk onwenselijk zijn als een bestuurder tijdens zijn aanstelling zelf zou moeten rapporteren over onbehoorlijk bestuur door het bestuur waarvan hij of zij zelf onderdeel is.

Wat betekent dit voor bestuurders en bedrijven?
Voor bestuurders betekent dit dat zij zich niet kunnen beroepen op de klachtplicht om aansprakelijkheid af te wenden. Bedrijven hoeven op hun beurt niet bang te zijn dat ze hun recht op aansprakelijkstelling verliezen door te laat te klagen, al blijft het belangrijk om tijdig te handelen.

Kortom, bestuurders kunnen zich bij een vordering op basis van artikel 2:9 BW niet succesvol beroepen op de klachtplicht.

Heeft u vragen over bestuurdersaansprakelijkheid? Neem gerust contact met ons op voor advies

Een bijzonder curator wordt aangesteld door de rechter bij een belangenconflict tussen het kind en zijn ouders en tussen de ouders onderling. De precieze taak van de bijzonder curator verschilt en wordt bij de benoeming bepaald door de rechter, maar de bijzonder curator zal altijd gesprekken voeren met alle betrokkenen en onderzoek doen in de verdere sociale kring van het kind.

Over het algemeen wordt een bijzonder curator aangesteld in familiezaken. De afgelopen jaren is er echter een toenemende behoefte ontstaan aan het benoemen van een bijzondere curator in erfrechtelijke kwesties. Immers, ook in zulke zaken kan een belangenconflict ontstaan tussen ouders en een (minderjarig) kind. Uit een enquête van inmiddels bijna 8 jaar oud is al gebleken dat praktijkjuristen die werkzaam zijn in het erfrecht overwegend positief staan tegenover de verplichte aanstelling van een bijzonder curator in erfrechtzaken waar minderjarigen bij betrokken zijn.[1]

Een recent voorbeeld van een erfrechtelijke zaak waarin een bijzonder curator is aangesteld is de uitspraak van de Rechtbank Den Haag van 22 januari 2020; de bijzonder curator werd hier aangesteld vanwege een mogelijk belangenconflict tussen ouders en hun kinderen over de uitleg van een bepaling in een testament.[2]

Hoewel de aanstelling van een bijzonder curator in dergelijke kwesties dus niet verplicht gesteld is, leent de wet zich er wel voor om een verzoek tot aanstelling van een bijzonder curator in te dienen in erfrechtkwesties.

 

[1] R. van der Vaart, ‘De inschakeling van de bijzondere curator bij de afwikkeling van nalatenschappen’, WPNR 2014/7005.
[2] Rb. Den Haag 22 januari 2020, ECLI:NL:RBDHA:2020:474.

Medio september 2020 heeft ons kabinet bij de Tweede Kamer het pakket Belastingplan 2021 ingediend. In dit pakket staan maatregelen om de economische groei in de Corona-crisis te stimuleren en maatregelen die tot een beter, eerlijker en groener belastingstelsel moeten leiden. Daartoe heeft het kabinet 8 wetsvoorstellen ingediend. Op 12 november 2020 heeft de Tweede Kamer deze wetsvoorstellen na aanvaarding van een aantal amendementen aangenomen.

Onderstaand treft u een selectie van de voorgestelde maatregelen aan.

Ondernemingen

De eerder aangekondigde verlaging van de vennootschapsbelasting over winsten in de 2de schijf van 25% naar 21,7% wordt geschrapt. Het tarief blijft dus 25%. Voor belastingplichtigen met een winst tot EUR 245.000 gaat het tarief wel omlaag van 16,5% naar 15%.

Ook wordt een in tijd onbeperkte voorwaartse verliesverrekening voorgesteld, terwijl dat nu nog 6 jaar voorwaarts is. Daarbij zijn zowel voorwaartse als achterwaartse verliezen slechts tot een bedrag van EUR 1 miljoen aan belastbare winst volledig verrekenbaar.

Vorig jaar is al beslist dat de zelfstandigenaftrek voor ondernemers in de inkomstenbelasting vanaf 2020 stapsgewijs wordt verlaagd naar EUR 5.000 in 2028. Deze afbouw wordt nu versneld. Vanaf 2021 wordt de huidige zelfstandigenaftrek jaarlijks met EUR 360 verlaagd, in 2028 met EUR 390 en daarna met EUR 110 per jaar tot EUR 3.240 in 2036. De reden voor de verlaging is het verkleinen van de fiscale verschillen tussen zelfstandigen (zzp-ers) en werknemers.

Vastgoed en overdrachtsbelasting

Niet het type vastgoed (bijvoorbeeld een woning of bedrijfsvastgoed) is van belang, maar wel wie de koper is.

Starters tussen de 18 en 35 jaar die zelf in een woning gaan wonen (de koopstarter) krijgen een vrijstelling voor de overdrachtsbelasting. Maar vanaf 1 april 2021 geldt voor koopstarters wel dat de te verkrijgen woning een waarde heeft van maximaal de woningwaardegrens, die dan naar verwachting EUR 400.000 bedraagt. Doorstromers en mensen vanaf 35 jaar die zelf een woning gaan bewonen betalen 2% overdrachtsbelasting en kopers van bedrijfsvastgoed en woningen, waarbij de koper niet zelf in de gekochte woning gaat wonen, betalen 8% overdrachtsbelasting.

Het lage 2% tarief is dus bijvoorbeeld niet meer van toepassing ingeval van koop van een vakantiewoning of woningen die als kantoor worden gebruikt.

De (vermogende) particulier

Iemand die een belang van minimaal 5% in een besloten vennootschap heeft, heeft een aanmerkelijk belang en moet bij inkomsten uit dat aanmerkelijk belang in 2021 26,9% inkomstenbelasting (box 2) betalen. Dat tarief was jarenlang 25%.

Ook als een aanmerkelijk belang-houder bij zijn eigen vennootschap geld leent, ligt een fiscale heffing op de loer. In een wetsvoorstel van 17 juni 2020 wordt voorgesteld om bij excessief lenen, dat wil zeggen bij meer dan EUR 500.000, het meerdere te belasten als inkomen uit aanmerkelijk belang. Eigen woningschulden worden uitgezonderd. Deze maatregel gaat voor het eerst gelden in 2023.

Wel wordt de belastingdruk op kleinere vermogens verzacht. In de vermogens-rendementsheffing in box 3 van de inkomstenbelasting wordt het heffingsvrije vermogen verhoogd van EUR 30.846 naar EUR 50.000 en voor partners van EUR 61.692 naar EUR 100.000. Wel stijgt het tarief van 30% naar 31%. Het gevolg is dat mensen met een vermogen tot ongeveer EUR 220.000 er per saldo op vooruit zullen gaan. Bedraagt het vermogen meer dan EUR 220.000, dan gaan mensen er per saldo op achteruit.