In deze nieuwsbrief wil ik graag de aandacht vragen voor een naar mijn mening belangrijke uitspraak die de Afdeling Bestuursrecht van de Raad van State op 11 februari 2026 heeft gedaan (RVS:2026:762).
De zaak ging over een omgevingsplan in de gemeente Borne dat de bouw van 250 woningen mogelijk maakt. Een belanghebbende (in dit geval een naburig bedrijf) had tegen dat plan een groot aantal beroepsgronden aangevoerd. Het afvuren van een dergelijk schot hagel in de hoop dat een of meer van de beroepsgronden op al dan niet miraculeuze wijze doel treft is in het bestuursrecht niet ongebruikelijk. Een fenomeen dat door AI naar verwachting nog zal worden gestimuleerd. Zo had het bedrijf in kwestie niet alleen aangevoerd dat de woningbouw de bedrijfsvoering in gevaar zou kunnen brengen, maar was ook een beroep gedaan op de Nationale Omgevingsvisie, luchtkwaliteit, stikstof en cultuurhistorische waarden.
In de Algemene Wet Bestuursrecht wordt bepaald dat de rechter op de grondslag van het beroepschrift moet beslissen en dat in de uitspraak de gronden van de beslissing moeten worden vermeld. Ook artikel 121 van de grondwet bepaalt dat vonnissen de gronden inhouden waarop zij rusten, tenzij in de wet anders is bepaald.
Voor het civiele recht kent de wet een dergelijke uitzondering in artikel 81 van de Wet op de rechtelijke organisatie. De Hoge Raad kan zich beperken tot het rechtsoordeel dat een aangevoerde grief niet kan leiden tot cassatie en niet verplicht tot het beantwoorden van rechtsvragen.
In het bestuursrecht ontbreekt zo’n uitzonderingsbepaling. Het gevolg daarvan is dat de bestuursrechter in de uitspraak inging op iedere aangevoerde beroepsgrond. Andere procespartijen dan de appellant waren (daaro) genoodzaakt om (ook) op elke beroepsgrond in te gaan.
En daar wordt -als ik het goed zie- in de uitspraak Borne een eind aan gemaakt. Immers nadat de Afdeling Bestuursrechtspraak de klacht dat de woningbouw de bedrijfsvoering raakt gemotiveerd heeft besproken wordt overwogen:
“De overige beroepsgronden … geven geen grond voor het oordeel dat het besluit gebreken bevat”.
Dit is niets anders dan een verkorte afdoening van de beroepsgronden, vergelijkbaar als in het civiele recht, echter zonder wettelijke grondslag.
Wellicht ziet de Afdeling Bestuursrechtspraak zich gesteund door het aanhangige wetsvoorstel voor de Wet versterking regie volkshuisvesting, waarin wordt voorzien in de mogelijkheid dat de Afdeling in een hoger beroep tegen woningbouw de beroepsgronden verkort afdoet. Maar dit wetsvoorstel is dus beperkt tot hoger beroep terwijl de zaak Borne geen hoger beroep betrof, maar een beroep in eerste en enige instantie.
Interessant is om te volgen of de lagere rechtspraak de Afdeling zal volgen en of de Afdeling de verkorte afdoening ook zal toepassen in andere zaken dan woningbouw.