Als ergens sprake is van ongebreidelde regelgeving met allerlei verplichtingen voor de burger dan is het wel het bestuursrecht. Neem bijvoorbeeld een omgevingsplan ter hand en u zult versteld staan van de verplichtingen en voorwaarden waaraan moet worden voldaan om (niet) te mogen bouwen of andere ruimtelijke activiteiten (niet) te mogen verrichten. Ook de nieuwe omgevingswet met de daaronder hangende regelgeving bevat een enorme regelbrei. Niet vreemd daarom dat overtreding van voorschriften schering en inslag is. Dit gegeven, gecombineerd met de omstandigheid dat de rechter heeft geoordeeld dat het bestuur in beginsel verplicht is om in geval van een overtreding handhavend op te treden, leidt ertoe dat er meer en meer sancties worden opgelegd. Van alle sancties is de last onder dwangsom, kortweg de dwangsom, de meest toegepaste omdat deze voor het bestuur de minste complicaties met zich meebrengt. Zo speelt nauwelijks een rol of de overtreding opzettelijk is begaan dan wel of er sprake is van schuld. Een overtreder krijgt een last om een overtreding te beëindigen of om voortzetting te voorkomen. Aangegeven wordt welke maatregelen de overtreder kan nemen om de overtreding te beëindigen en welke termijn hij daarvoor heeft. De aan de lastgeving verbonden dwangsom vormt dan de financiële prikkel om de overtreding daadwerkelijk te beëindigen. En als dat niet helpt kan wederom een dwangsom worden opgelegd. Om verbeurde dwangsommen te innen moet een afzonderlijk invorderingsbesluit worden genomen. Vermeldenswaard is dat meestal aan een dwangsombesluit een informele fase vooraf gaat. De overtreder ontvangt een vooraankondiging waarin de dwangsom wordt aangekondigd. Tegen die vooraankondiging kan dan (meestal binnen twee weken) mondeling of schriftelijk een zienswijze worden ingediend. De rechter heeft overigens bepaald dat ook tegen de voorgenomen invordering een zienswijze moet kunnen worden ingediend, waarin dan bijzondere omstandigheden kunnen worden aangevoerd op grond waarvan van invordering af zou moeten worden gezien.
Wat valt juridisch tegen de dwangsom te ondernemen? Processueel is er in de wet een indrukwekkende procedure opgetuigd. Na de informele zienswijzenfase wordt al dan niet het dwangsom- c.q. het invorderingsbesluit genomen. Tegen dat besluit kan bezwaar worden gemaakt. Tegen het daarop volgende besluit op bezwaar kan beroep worden ingesteld bij de rechtbank en tegen de uitspraak van de rechtbank is hoger beroep bij de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State mogelijk. Omdat de besluiten meteen van kracht zijn kan in verbinding met de gerechtelijke procedure verzocht worden aan de voorzieningenrechter van de rechtbank/Afdeling Bestuursrechtspraak om het betreffende besluit te schorsen. Maar dan moet daarvoor wel een spoedeisend belang aanwezig zijn en financiële belangen tellen daarbij (in beginsel) niet mee.
Inhoudelijk zijn er een groot aantal verweren tegen een dwangsom of de invordering daarvan te voeren. Ik kan deze in dit kort bestek niet allemaal noemen. Belangrijk is of kan worden beargumenteerd dat er een concreet vooruitzicht bestaat dat de illegale situatie kan worden gelegaliseerd. Ik teken daarbij aan dat het bestuur in het voornemen en in de besluiten direct aangeeft waarom legalisatie niet mogelijk zal zijn en het vergt daarom overtuigende argumenten om die verwerping te weerleggen. De informele zienswijzenfase is daarvoor het meest geschikt. Andere verweren die wellicht naar voren kunnen worden gebracht zijn te betwisten dat men als overtreder moet worden aangemerkt of de bestrijding dat sprake is van een overtreding (bijvoorbeeld omdat er rechten zijn op basis van het overgangsrecht die moeten worden geëerbiedigd). Een interessant verweer is indien aangetoond kan worden dat het onmogelijk is de last uit te voeren. Voorts is in voorkomende gevallen een beroep mogelijk op beginselen van behoorlijk bestuur. In het kader van handhaving spelen vooral een rol het vertrouwensbeginsel (als het bevoegd gezag het gerechtvaardigd vertrouwen heeft gewekt dat handhaving niet aan de orde is), het proportionaliteitsbeginsel (mogelijk zijn de in het besluit genoemde herstelmaatregelen onnodig bezwarend) en het evenredigheidsbeginsel (maar een beroep daarop slaagt zelden net als een beroep op het gelijkheidsbeginsel of een beroep op een gedoogsituatie). Tenslotte noem ik nog de verweren dat de dwangsom te hoog is of de begunstigingstermijn te kort.
Wordt aan u een dwangsom opgelegd en wilt u advies daarover dan kunt u contact opnemen met mr. Philippe Hardy.