Sinds jaar en dag bestaat de mogelijkheid voor verhuurders om een minimumduur af te sluiten bij de verhuur van woningen (veelal voor de duur van één jaar). Gedurende die tijd kunnen huurder en verhuurder niet opzeggen. Dit voorkomt schade in de vorm van een te snel vertrekkende huurder en geeft ook de huurder minimaal een jaar zekerheid.
Uit de wet volgt strikt genomen dat de opzegtermijn van de huurder gelijk moet zijn met de huurbetaaltermijn. Die bepaling is moeilijk te verenigen met de minimumduurovereenkomsten. Toch wordt al jarenlang deze overeenkomst toegestaan (voorbeelden: ECLI:NL:RBNNE:2017:4921, ECLI:NL:GHARL:2021:2260, ECLI:NL:RBMNE: 2024:4453, ECLI:NL:RBROT:2021:3758). Er is wel al een langere tijd kritiek op deze mogelijkheid, maar dat heeft niet geresulteerd in verbod op minimumduurovereenkomsten.
Echter, daar lijkt vanaf dit jaar mogelijk een einde aan te komen. De Rechtbank Midden-Nederland heeft namelijk op 25 februari 2026 (ECLI:NL:RBMNE:2026:857) geoordeeld dat minimumduurovereenkomsten niet zijn toegestaan. Dat breekt met de eerdere jurisprudentie en met hetgeen hieromtrent door de minister is gezegd in 2016. Toch heeft deze kantonrechter de minimumhuur onaanvaardbaar geacht.
De minimumhuur staat dus onder druk. In welke mate deze overeenkomsten nog mogelijk zijn, zal de toekomst moeten uitwijzen.