Een van de lastigste onderwerpen in het bestuursrecht is het heroverwegen van een genomen besluit nadat daartegen bezwaar is gemaakt. Want moet je de juridische situatie beoordelen op het moment dat het besluit is genomen of op het moment dat op het bezwaar wordt beslist. Het lastige is dat op basis van de rechtspraak als hoofdregel geldt dat de heroverweging moet gebeuren op basis van de feiten en omstandigheden die er zijn ten tijde van de heroverweging, maar dat er ook veel uitzonderingen zijn.
Een bekend voorbeeld van zo’n uitzondering is het opleggen van een dwangsom als er illegaal gebouwd is maar het bouwwerk gesloopt wordt nadat bezwaar is gemaakt. In die situatie zou handhaving niet effectief zijn als in de heroverweging uitgegaan zou moeten worden van de legale situatie ontstaan na de sloop. In handhavingszaken is het voor juristen vissen in troebel water want per geval moet worden bezien of al dan niet de hoofdregel moest worden toegepast. En de genoemde uitzondering dat handhavingsbesluiten moeten worden beoordeeld ten tijde van het nemen van het besluit kende ook weer uitzonderingen, bijvoorbeeld bij gewijzigde regelgeving op grond waarvan ten tijde van de heroverweging er geen overtreding meer bestond of een concreet vooruitzicht op legalisatie. In 2020 heeft de hoogste rechter in een zaak over vermeende overtreding van de Europese Houtverordening het toetsingskader voor de heroverweging geduid als volgt:
In zijn algemeenheid geldt de hoofdregel dat in de heroverweging na bezwaar rekening moet worden gehouden met nieuwe feiten en omstandigheden en met de regels die gelden op het moment van de heroverweging. Voor herstelsancties geldt echter een ander regime. De Afdeling overweegt dat in de eerste plaats moet worden bezien of het primaire besluit op basis van de feiten en omstandigheden die toen voorlagen terecht was. Nieuwe ontwikkelingen mogen in de heroverweging alleen worden meegenomen voor zover doel en strekking van de te handhaven norm of fundamentele rechtsbeginselen zich daartegen niet verzetten (ABRvS 28 oktober 2020 RVS:2020:2571).
Het blijft dus een grijs gebied. Want onduidelijk blijft aan welke nieuwe feiten en omstandigheden gevolgen moeten worden verbonden en aan welke niet. Abstracte begrippen als doel en strekking van de te handhaven norm leveren in een concreet geval niet altijd voldoende houvast op. En in welke situaties fundamentele rechtsbeginselen zich tegen handhaving verzetten is eveneens niet erg zeker.
Heeft u vragen over dit onderwerp? Neem gerust contact op met één van onze specialisten!