Op 28 mei 2025 stelde de rechtbank Amsterdam een bestuurder van een thuiszorginstelling persoonlijk aansprakelijk voor schade als gevolg van zorgfraude. De uitspraak laat zien dat rechters streng oordelen wanneer bestuurders hun kerntaak – toezicht op een deugdelijke zorgadministratie – ernstig veronachtzamen en daar zelf financieel van profiteren.
De zaak draaide om een fraudeonderzoek van VGZ, gestart na meldingen van onregelmatigheden. Uit het onderzoek bleek dat zorgplannen en indicaties niet voldeden aan de eisen, dagrapportages en urenregistraties niet op elkaar aansloten, en er twijfels waren over de betrouwbaarheid van de stukken. De zorgaanbieder kreeg gelegenheid te reageren, maar gaf geen inhoudelijk weerwoord.
De verdediging – dat er sprake was van administratieve fouten door hoge werkdruk – overtuigde de rechtbank niet. Ook de overgelegde verklaringen van zorgverleners en cliënten konden het ontbreken van een deugdelijke en verifieerbare administratie niet wegnemen.
De rechtbank oordeelde dat de administratieplicht uit artikel 36 Wmg structureel was geschonden. Een relevante overweging bij het oordeel dat – naast de vennootschap – ook de bestuurder aansprakelijk werd geacht, was dat hij in de betreffende jaren substantiële dividenduitkeringen ontving (tot wel 50% van de winst), terwijl de administratie ernstige gebreken vertoonde. De rechtbank zag hierin een direct verband met het onrechtmatig handelen en rekende de bestuurder dit persoonlijk aan. De rechter oordeelde vervolgens dat hij hoofdelijk aansprakelijk is voor de schade van VGZ.
Niet incidenteel, maar structureel – én verwijtbaar
De uitspraak maakt duidelijk dat persoonlijke aansprakelijkheid niet ontstaat bij een enkele fout of omissie. Maar als er sprake is van een patroon van gebrekkige administratie, het ontbreken van toezicht en financieel eigenbelang, wordt die drempel wél overschreden. Bestuurders horen signalen van tekortkomingen actief te herkennen en erop te handelen. Als dat structureel uitblijft, kan dat leiden tot persoonlijke aansprakelijkheid.
Conclusie
Bestuurders (in de zorg) dragen een vergaande verantwoordelijkheid voor de kwaliteit van de administratie en de controle daarop. Deze uitspraak laat zien dat de rechter niet schroomt te oordelen tot aansprakelijkheid van een bestuurder als die verantwoordelijkheid wordt verzaakt – zeker wanneer daar eigen financieel gewin tegenover staat.
Vragen? Neem gerust contact met ons op. Wij denken graag met u mee.
Het Hof van Justitie van de Europese Unie (HvJ EU) heeft zich in een uitspraak van 27 februari 2025 uitgelaten over – in commerciële contracten veelvoorkomende – asymmetrische forumkeuzebedingen. Dat zijn bedingen op grond waarvan, bijvoorbeeld, de ene partij alleen mag procederen bij de Nederlandse rechter, maar de andere partij bij een rechter van het land van zijn keuze. Met name worden dergelijke bedingen vaak gebruikt in het financieringswezen.
De vraag of dit soort bedingen wel geldig zijn onder het Europese recht is geen nieuwe. Zo bepaalt artikel 25 van de Europese verordening Brussel I-bis dat een forumkeuzebeding ‘voldoende nauwkeurig’ moet zijn bepaald – de vraag is echter of dat bij een asymmetrisch forumkeuzebeding wel het geval is. Een soortgelijke bepaling staat in een Europees verdrag, het Lugano II-verdrag.
Het HvJ EU overweegt in de genoemde uitspraak dat, waar artikel 25 Brussel I-bis stipuleert dat partijen de gerechten van “een lidstaat” als bevoegd kunnen aanwijzen, daarmee niet is bedoeld dat de partijen per se het gerecht van één enkele lidstaat moeten aanwijzen. Onder artikel 25 Brussel I-bis levert de mogelijkheid om meerdere gerechten aan te zoeken op zich dus geen ongeldigheid op, aldus het HvJ EU. Het HvJ EU overweegt dat dit ook geldt onder artikel 23 Lugano II-Verdrag.
Zolang het beding voldoende precies aanduidt dat gerechten van lidstaten of staten die partij zijn bij het Lugano II-verdrag kunnen worden aangezocht, is er volgens het HvJ EU geen probleem. Dat is er wel als het beding slechts verwijst naar een “ander bevoegd gerecht in het buitenland” en het beding daarmee beoogt gerechten van een land als bevoegd aan te wijzen die geen onderdeel zijn van de EU of partij zijn bij het Lugano II-Verdrag.
Kortom: asymmetrische forumkeuzebedingen zijn vanwege hun onevenwichtigheid in beginsel niet ongeldig onder artikel 25 Brussel I-bis of artikel 23 van het Lugano-II Verdrag. Wel kunnen slechts gerechten van lidstaten of verdragsstaten van het Lugano-II Verdrag worden aangewezen.
Het HvJ EU is dus vrij soepel, maar trekt vervolgens wel een ondergrens. Het asymmetrische forumkeuzebeding moet “voldoende nauwkeurig de objectieve elementen bevatten op basis waarvan partijen overeenstemming hebben bereikt over de aanwijzing van het gerecht of de gerechten waaraan zij ontstane of de toekomstige geschillen willen voorleggen, om geldig te zijn”, aldus het HvJ EU. Daarvoor is niet vereist dat al uit de bewoordingen van het beding kan worden afgeleid welke rechter bevoegd is. Wat daarvoor wel is vereist, zal in latere rechtspraak nog moeten blijken, want het HvJ EU geeft op dit punt geen verdere aanwijzingen.
Heeft u vragen over het voorgaande of een andere vraag over het (internationaal) contractenrecht? Neem gerust contact op met één van onze specialisten!
Hoge Raad schept duidelijkheid: klachtplicht niet van toepassing bij bestuurdersaansprakelijkheid
Wat is de klachtplicht?
De klachtplicht is geregeld in artikel 6:89 van het Burgerlijk Wetboek (BW). Deze verplicht schuldeisers om binnen een ‘bekwame tijd’ te klagen zodra zij een gebrek in een prestatie ontdekken. Doen zij dit niet, dan kunnen zij geen beroep meer doen op dat gebrek. Deze regel is bedoeld om snel duidelijkheid te geven in geschillen en te voorkomen dat klachten blijven liggen.
Wat is bestuurdersaansprakelijkheid?
Bestuurdersaansprakelijkheid is geregeld in artikel 2:9 BW en gaat over de verantwoordelijkheid van een bestuurder binnen een rechtspersoon (zoals een B.V. of N.V.). Bestuurders moeten hun taken naar behoren vervullen. Als een bestuurder zijn taken ernstig verwaarloost en de rechtspersoon lijdt daardoor schade, kan hij persoonlijk aansprakelijk worden gesteld.
Geldt de klachtplicht ook bij bestuurdersaansprakelijkheid?
De discussie ging over de vraag of een bestuurder zich kan beroepen op de klachtplicht wanneer hij wordt aangesproken op onbehoorlijk bestuur. De Hoge Raad heeft nu bevestigd dat de klachtplicht uit artikel 6:89 BW niet van toepassing is bij bestuurdersaansprakelijkheid onder artikel 2:9 BW. Dit komt omdat de relatie tussen een bestuurder en de rechtspersoon niet gaat over een gewone verbintenis (zoals een koopovereenkomst), maar over een vennootschapsrechtelijke verhouding. Artikel 6:89 BW is dus niet van toepassing.
Daarnaast zou het in de praktijk onwenselijk zijn als een bestuurder tijdens zijn aanstelling zelf zou moeten rapporteren over onbehoorlijk bestuur door het bestuur waarvan hij of zij zelf onderdeel is.
Wat betekent dit voor bestuurders en bedrijven?
Voor bestuurders betekent dit dat zij zich niet kunnen beroepen op de klachtplicht om aansprakelijkheid af te wenden. Bedrijven hoeven op hun beurt niet bang te zijn dat ze hun recht op aansprakelijkstelling verliezen door te laat te klagen, al blijft het belangrijk om tijdig te handelen.
Kortom, bestuurders kunnen zich bij een vordering op basis van artikel 2:9 BW niet succesvol beroepen op de klachtplicht.
Heeft u vragen over bestuurdersaansprakelijkheid? Neem gerust contact met ons op voor advies
In het contractenrecht is het uitgangspunt: ‘Belofte maakt schuld’. Toch zijn er gevallen waarin het niet redelijk is om van een partij te verwachten dat zij zich aan een overeenkomst houdt. De wet biedt in dergelijke situaties een aantal mogelijkheden, waarvan de vernietiging van een overeenkomst op basis van dwaling er één is.
Dwaling komt voor als een overeenkomst wordt gesloten onder een onjuiste voorstelling van zaken. Het belangrijkste criterium is dat zonder deze onjuiste voorstelling de overeenkomst niet of niet op basis van dezelfde voorwaarden zou zijn gesloten.
Om een succesvol beroep op dwaling te doen, moet aan bepaalde vereisten worden voldaan. Ten eerste moet de dwaling betrekking hebben op een van de drie situaties die in de wet worden genoemd:
- een mededeling van de wederpartij: de wederpartij heeft bijvoorbeeld nadrukkelijk bepaalde eigenschappen van een product of dienst gegarandeerd;
- het achterhouden van informatie: de dwaling is ontstaan omdat de wederpartij bepaalde informatie ten onrechte heeft verzwegen;
- wederzijdse dwaling: de dwaling is ontstaan omdat beide partijen zijn uitgaan van dezelfde onjuiste veronderstelling.
Een beroep op dwaling leidt echter niet automatisch tot vernietiging van de overeenkomst. Er zijn namelijk enkele obstakels die een succesvol beroep kunnen belemmeren. Bijvoorbeeld als de dwaling uitsluitend betrekking heeft op onzekere, toekomstige omstandigheden.
Een andere situatie is wanneer op grond van de overeenkomst of maatschappelijke opvattingen een dwaling voor eigen rekening behoort te blijven. Denk daarbij aan contractuele uitsluitingen van dwaling. Bij overeenkomsten die speculatief van aard zijn, bijvoorbeeld beleggings- of vastgoedovereenkomsten, blijft dwaling onder omstandigheden ook vaak voor eigen rekening. Verder kan bijvoorbeeld de kans op dwaling al zijn verdisconteerd in een lage prijs.
Kortom, hoewel belofte nog steeds schuld maakt in het contractenrecht, biedt de wet ruimte voor een geslaagd beroep op dwaling. Om een overeenkomst op basis van dwaling te vernietigen, moeten alle omstandigheden zorgvuldig worden overwogen. Indien u vragen hebt of advies wilt over een casus, kunt u altijd contact met ons opnemen.
Eind 2023 is een wetsvoorstel ingediend bij de Tweede Kamer dat een aanpassing beoogt van de wettelijke geschillenregeling en een verduidelijking vormt van de ontvankelijkheidseisen in de enquêteprocedure.
De voorgestelde wijzigingen zijn een reactie op het feit dat aandeelhouders in geschillen momenteel vaak voor een enquêteprocedure in plaats van de geschillenregeling kiezen vanwege de snelheid, efficiëntie en effectiviteit ervan, ondanks het ontbreken van mogelijkheden voor permanente overdracht van aandelen in deze procedure.
De beweegredenen van aandeelhouders houden voornamelijk verband met de in de wet gecreëerde mogelijkheid tot het verzoeken van onmiddellijke voorzieningen in een enquêteprocedure. Nadat een enquêteverzoek aanhangig is gemaakt, kan de Ondernemingskamer direct onmiddellijke voorzieningen treffen in de vorm van bijvoorbeeld het overdragen van aandelen ten titel van beheer, het schorsen van een bestuurder en/of het benoemen van een additionele bestuurder met beslissende stem; de geschillenregeling kent een dergelijke marsroute niet.
De nadelige gevolgen van in conflict verkerende aandeelhouders kan met de mogelijkheid van onmiddellijke voorzieningen binnen zeer korte termijn de kop in worden gedrukt. De gedachte van de wetgever dat de geschillenregeling een sneller en goedkoper alternatief zou bieden voor de enquêteprocedure was dan ook al snel achterhaald, na introductie van de mogelijkheid van het treffen van onmiddellijke voorzieningen. De praktijk wijst uit dat - ter doorbreking van een impasse - onmiddellijke voorzieningen ervoor zorgen dat geen (aanvullende) schade wordt aangericht en tegelijkertijd kan worden aangevangen met herstel van gezonde verhoudingen, bijvoorbeeld door vertrek van aandeelhouders.
De OK onderschrijft deze zienswijze. In een van haar beschikkingen[1] oordeelt zij dat “de keuze van een verzoeker voor een enquêteprocedure veeleer blijk geeft van een voorkeur voor een efficiënte en in verhouding weinig tijd en geld vergende aanpak van de beslechting van een geschil”.
Welke concrete veranderingen zijn vervat in het ingediende wetsvoorstel?
Het ingediende wetsvoorstel richt zich met name op de geschillenregeling, die vier procedures omvat: (i) de uitstotingsprocedure (artikel 2:336 BW), (ii) de procedure tot overdracht van stemrecht voor het geval het stemrecht berust bij een vruchtgebruiker of pandhouder van aandelen (artikel 2:342 BW), (iii) de uittredingsprocedure (artikel 2:343 BW) en (iv) de verzoekschriftprocedure waarin de rechter kan worden verzocht de prijs van de aandelen vast te stellen indien tussen de partijen overeenstemming bestaat over het uittreden van een aandeelhouder, maar niet over de prijs (artikel 2:343c BW).
Het wetsvoorstel houdt rekening met de praktische behoeften van aandeelhouders, waardoor voeging met een enquêteverzoek eenvoudiger wordt. Het wetsvoorstel maakt het mogelijk om in één verzoekschrift zowel een verzoek tot uitstoting of uittreding als een enquêteverzoek in te dienen. Daarnaast wordt de mogelijkheid geïntroduceerd om gedragingen van aandeelhouders in andere hoedanigheden dan die van aandeelhouder (bijvoorbeeld als bestuurder) mee te nemen in de belangenafweging voor uitstoting.
Het wetsvoorstel verruimt ook het toepassingsbereik van de geschillenregeling tot vergadergerechtigde certificaathouders onder specifieke omstandigheden. Hierdoor kunnen zij een verzoek tot uittreding indienen als hun rechten worden geschaad door andere certificaathouders, aandeelhouders, de stichting administratiekantoor of de vennootschap.
Al met al belooft het wetsvoorstel een effectiever systeem voor het oplossen van aandeelhoudersgeschillen te bieden en kan het een interessanter alternatief worden voor de huidige enquêteprocedure.
Heeft u vragen of wilt u meer weten over dit onderwerp? Neem gerust contact op!
Bescherming van adresgegevens in het Handelsregister
In het dynamische landschap van ondernemerschap biedt het Handelsregister een cruciale bron van informatie. Daarbij staan transparantie en openbaarheid centraal. Het openbare Handelsregister geeft zekerheid bij zakelijke interacties. Niettemin brengt deze openbaarheid ook risico's met zich mee. Denk daarbij aan toenemende gevallen van intimidatie en dreiging aan huis. Om deze reden is het in bepaalde situaties mogelijk om het bezoekadres af te schermen.
Wanneer is afscherming mogelijk?
Hierin valt een onderverdeling te maken tussen een eenmanszaak en overige entiteiten.
Indien u een eenmanszaak drijft of van plan bent te drijven en in te schrijven, is bij een eenmanszaak afscherming van het adres mogelijk door het registreren van een postadres dat afwijkt van het daadwerkelijke woon- en bezoekadres. Het postadres kan bijvoorbeeld een postbusnummer zijn. Vooruitlopend op een aankomende wetswijziging heeft de Kamer van Koophandel de mogelijkheid gekregen om alvast verzoeken voor het afschermen van bezoekadressen van eenmanszaken te honoreren.
Overige entiteiten die hun adres wensen af te schermen dienen een vorm van een dreiging aan te tonen. Daarbij kan het enerzijds gaan om een concrete dreiging. Dat is aan de orde indien er specifieke informatie bestaat die erop wijst dat er iets kan of staat te gebeuren. Die dreiging moet het afschermen van de adresgegevens noodzakelijk maken. Alle rechtsvormen kunnen op basis van een dergelijke concrete dreiging verzoeken om afscherming van adresgegevens.
Anderzijds kan het gaan om een waarschijnlijke dreiging. Dat kan het geval zijn indien door de uitoefening van uw beroep of het beroep van uw huisgenoot een voorzienbaar risico bestaat. Kapitaalvennootschappen zoals bv’s en nv’s kunnen echter niet verzoeken om een afscherming van adresgegevens wegens een waarschijnlijke dreiging.
Gevolgen afscherming
Na een afscherming zijn de adresgegevens niet meer openbaar toegankelijk. Enkel bestuursorganen, advocaten, notarissen en deurwaarders kunnen de adresgegevens inzien, zij het met de bijbehorende autorisatie.
Daarnaast dient u er rekening mee te houden dat afgeschermde adresgegevens niet kunnen worden ingezien in het kader van informatieaanvragen door derden zoals banken en verzekeringsmaatschappijen. Hierdoor kunnen zaken als het openen van een bankrekening of het afsluiten van een verzekering bemoeilijkt worden.
Advies nodig?
Wenst u nadere informatie te ontvangen over het bovenstaande, dan kunt u gerust contact opnemen met Kerckhoffs Advocaten.
De wetgever is van plan ingrijpende wijzigingen door te voeren in de regelgeving omtrent personenvennootschappen (vof, cv en maatschap) met als doel het oprichten van ondernemingen te vereenvoudigen en meer helderheid te bieden aan vennoten en schuldeisers.
De voorgestelde Wet Modernisering Personenvennootschappen brengt ingrijpende veranderingen met zich mee. De nieuwe wet zal de huidige drie vormen van personenvennootschappen (vof, cv en maatschap) terugbrengen tot slechts twee personenvennootschappen: de openbare vennootschap en de commanditaire vennootschap. De vof en maatschap zullen opgaan in de openbare vennootschap.
Een aantal belangrijke wijzigingen van deze herstructurering zijn als volgt:
• De introductie van hoofdelijke aansprakelijkheid voor vennoten, waarbij aansprakelijkheid voor gelijke delen verdwijnt.
• Het voorzien van rechtspersoonlijkheid. Dit zal meer duidelijkheid scheppen over het vermogen van de vennootschap. Schuldeisers krijgen daarnaast meer zekerheid door de toekenning van rechtspersoonlijkheid.
• Het wordt voor vennoten eenvoudiger om in- en uit te treden zonder dat dit leidt tot de ontbinding van de gehele vennootschap.
• Indien er slechts één overgebleven vennoot is, wordt er een termijn van drie maanden verleend om de vennootschap voort te zetten voordat deze wordt ontbonden.
• De geldschieter van een commanditaire vennootschap mag voortaan in het openbaar handelingen voor de vennootschap verrichten zonder medeaansprakelijkheid, mits dit niet leidt tot faillissement.
Het nieuwe wetsvoorstel beoogt geen extra administratieve lasten en voorziet in een soepele overgang voor bestaande vennootschappen. Deze bovenstaande wetswijzigingen streven ernaar het gezamenlijk ondernemen te vergemakkelijken, de flexibiliteit te bevorderen en ondernemerschap en innovatie te stimuleren in het ondernemingslandschap.
De ingangsdatum is nog niet bekend. Dit is afhankelijk van de goedkeuring door de Tweede en Eerste Kamer. Wel is bekend dat het overgangsrecht de gevolgen voor bestaande vennootschappen zal regelen. Wenst u alvast advies in te winnen over deze aanstaande veranderingen, dan kunt u contact opnemen met Kerckhoffs Advocaten.
Particulieren die niet handelen in beroep of bedrijf (deze worden consumenten genoemd) genieten veel wettelijke bescherming. Deze wettelijke bescherming wordt al jarenlang steeds hoger. Het begon met voornamelijk bescherming tegen oneerlijke bedingen, maar inmiddels gelden er meer eisen. Zo zijn er ook informatieplichten waaraan een verkoper of dienstverlener moet voldoen als deze handelt met een consument.
Consumenten moeten – voordat het contract wordt afgesloten – op meerdere zaken worden gewezen. Deze informatieplicht ziet op onder meer (1) de prijs van het product of de dienst, (2) de identiteit van de onderneming die het product of de dienst zal leveren, (3) de prijs van de dienst en/of het product, (4) het bestaan van een eventueel herroepingsrecht en de manier waarop dat kan worden uitgeoefend, etc. Deze plichten gelden voornamelijk bij handelen buiten een verkoopruimte, bijvoorbeeld via een webshop.
Veel verkopers en dienstverleners poogden aan deze plicht te voldoen, door de informatie op te nemen in de algemene voorwaarden en deze bij de consument digitaal te laten accorderen middels het aanvinken van een daarvoor bestemd vakje. Door het Europese Hof van Justitie is inmiddels bepaald dat deze wijze van informeren geoorloofd is. Handelaren en dienstverleners kunnen dus via hun algemene voorwaarden de consument informeren. Er geldt echter wel een ‘maar’. De te geven informatie moet voor de consument voldoende duidelijk en begrijpelijk zijn. De exacte formulering van de algemene voorwaarden is dus erg belangrijk bij de vraag of aan deze eis is voldaan.
De gevolgen zijn groot als niet de juiste informatie wordt verstrekt. Dan is de consument namelijk niet gebonden aan de overeenkomst.
Er is goed nieuws voor burgers en ondernemers die graag op elektronische wijze willen communiceren met de overheid. Naar verwachting zullen zij vanaf 1 januari 2023 het recht hebben om op elektronische wijze te communiceren met een overheidsdienst. Denk daarbij bijvoorbeeld aan het elektronisch aanvragen van vergunningen, subsidies of informatie over andere diensten.
De mogelijkheden om elektronisch te communiceren met de overheid bestaan al sinds 2004. Voor burgers en ondernemers is het momenteel mogelijk om naast post, aan de balie en per telefoon ook via internet of via e-mail te communiceren met een overheidsinstantie. Een belangrijke beperking daarbij is echter dat de betreffende overheidsinstantie zelf kan bepalen of, en zo ja, hoe zij elektronisch bereikbaar is via internet of e-mail.
Deze beperking vindt de wetgever niet meer passen bij de huidige tijd. Sinds 2004 hebben zich ten aanzien van communicatieprocessen veel technologische en maatschappelijke ontwikkelingen voorgedaan. Waar het voorheen gebruikelijk was om bij elektronische communicatie met de overheid bijvoorbeeld te denken aan de fax, is het anno 2022 algemeen gebruik om via e-mail en andere berichtendiensten te communiceren. Burgers en ondernemers verwachten dit vandaag de dag niet enkel ten opzichte van elkaar, maar ook van de overheid.
Om die reden heeft de wetgever zich genoodzaakt gevoeld de huidige communicatiemogelijkheden met overheidsdiensten onder de loep te nemen. Het aanpassen van de wetgeving biedt tegelijkertijd kansen voor het verbeteren van het gebruiksgemak, het bevorderen van de doelmatigheid, het verminderen van administratieve lasten en het besparen van kosten.
Het is aan iedere overheidsinstantie om een juiste vorm en wijze van elektronische communicatie aan te bieden. Een en ander is afhankelijk van de betreffende overheidsdienst. Burgers en ondernemers die om welke reden dan ook geen gebruik willen maken van elektronische communicatiemiddelen hoeven zich echter geen zorgen te maken. De nieuwe wet zal een elektronische wijze niet verplicht stellen als de burger of ondernemer dat niet wenst. De papieren communicatiekanalen blijven bestaan.
In de vorige blog ‘Belofte maakt schuld: of toch niet?’ zijn de basisvereisten voor een beroep op dwaling aan bod gekomen. Het doen van een dergelijk beroep leidt echter niet automatisch tot een vernietiging van de overeenkomst. De wet erkent namelijk omstandigheden waarin een partij klaarblijkelijk heeft gedwaald, maar deze dwaling toch voor zijn eigen rekening behoort te komen. In deze blog worden enkele obstakels voor een succesvol beroep op dwaling besproken.
Het is in de eerste plaats niet mogelijk om een geslaagd beroep op dwaling te doen als de dwaling uitsluitend betrekking heeft op toekomstige omstandigheden. Met andere woorden: de dwaling moet zien op feiten en omstandigheden die al tijdens het sluiten van de overeenkomst bestaan en een rol spelen. In de praktijk koopt een vastgoedbelegger bijvoorbeeld wel eens onroerend goed met in het eigen achterhoofd een rooskleurige toekomstverwachting over de markt. Als deze verwachtingen vervolgens niet uitkomen, is er in beginsel geen sprake van dwaling. Dat zal echter anders liggen indien ten tijde van het sluiten van de overeenkomst het bestaan van een rooskleurige toekomstverwachting zich al op enige wijze had geopenbaard en de wederpartij bijvoorbeeld hieromtrent mededelingen heeft gedaan.
Een ander belangrijk obstakel voor een geslaagd dwalingsberoep is wanneer op basis van de aard van een overeenkomst, de maatschappelijk gangbare opvattingen of overige omstandigheden van het geval een dwaling voor eigen rekening behoort te blijven. Hieronder volgen enkele voorbeeldsituaties.
Zo kunnen partijen contractueel en op voorhand een beroep op dwaling uitsluiten. Daarnaast kan bijvoorbeeld een koopovereenkomst van een tweedehands product bepalen dat de koop ‘voetschoots’, ‘zoals gezien’ of ‘op eigen rekening’ gebeurt. Afhankelijk van de omstandigheden kan dit wel eens een succesvol dwalingsberoep in de weg staan.
Een dwalingsberoep is bovendien vaak niet mogelijk wanneer de overeenkomst een bepaald kanscomponent heeft. Met andere woorden: een bepaald toekomstbeeld is tijdens het sluiten van de overeenkomst onzeker. Gedacht kan bijvoorbeeld worden aan een professionele belegger die aandelen koopt van een andere professionele. Beide beleggers kunnen mogelijk ervan uitgaan dat de er ten tijde van het sluiten van de overeenkomst goede aanwijzingen zijn dat de koers van de aandelen zal toenemen. Als dit naderhand niet het geval blijkt te zijn, heeft de kopende belegger in beginsel gedwaald. Deze dwaling blijft echter vaak voor zijn eigen rekening omdat de kans op het niet stijgen van het aandeel al aanwezig was bij het sluiten van de overeenkomst. Bij het sluiten van de overeenkomst heeft hij dus de kans op een dwaling op de koop toegenomen. Op basis van de maatschappelijk gangbare opvattingen komt deze dwaling voor zijn eigen rekening.
Het op de koop toenemen van dwaling kan ook aan de orde zijn als bijvoorbeeld een lage prijs wordt overeengekomen. Afhankelijk van de omstandigheden van het geval kan blijken dat partijen bewust een lage prijs hebben afgesproken. Vaak wordt dan geoordeeld dat de kans op een dwaling al is verwerkt in de lage prijs. De dwalende partij heeft dan niet de mogelijkheid om achteraf zijn beklag te doen.
Uit de bovenstaande voorbeelden volgt kortom dat het niet altijd mogelijk is om in een dwalingssituatie een overeenkomst te vernietigen. Om uitsluitsel te kunnen bieden moeten alle omstandigheden van het specifieke geval goed worden gewogen.
Belofte maakt schuld. Dit eeuwenoude gezegde komt in de juridische wereld tot uitdrukking in het sluiten van een overeenkomst. Over het algemeen dienen de beloften die partijen daarbij doen te worden nageleefd. Dat is een schuld voor iedere partij. Het uitgangspunt is dan ook dat een overeenkomst staat als een huis. Toch zijn er bepaalde situaties denkbaar waarin van een partij niet gevergd kan worden om de overeenkomst na te leven. De wet kent voor die situaties een aantal mogelijkheden.
Basisvereisten dwaling
Eén van deze mogelijkheden is de vernietiging van de overeenkomst op grond van dwaling. Van dwaling is kort samengevat sprake als de overeenkomst is aangegaan onder een onjuiste voorstelling van zaken.
Daarvoor is in de eerste plaats nodig dat zonder deze onjuiste voorstelling van zaken de overeenkomst niet of niet onder dezelfde voorwaarden zou zijn gesloten. De onjuiste voorstelling van zaken moet dus betrekking hebben op een belangrijk onderdeel van de overeenkomst. Dwaling ten aanzien van niet-essentiële zaken komt voor eigen rekening. Het belang van dit belangrijke onderdeel moet helder zijn voor de wederpartij.
Aanvullende vereisten
Naast het bovenstaande geldt nog een belangrijke vereiste. De dwaling moet namelijk betrekking hebben op één van de drie situaties die in de wet worden benoemd.
- De dwaling is ontstaan door een mededeling van de wederpartij. De wederpartij heeft bijvoorbeeld nadrukkelijk bepaalde eigenschappen van een product of dienst gegarandeerd. Het moet hierbij gaan om voldoende concrete mededelingen. Algemene aanprijzingen en reclameleuzen vallen hier niet onder.
- De dwaling is ontstaan omdat de wederpartij bepaalde informatie ten onrechte heeft verzwegen. Voor deze situatie gelden aanvullende voorwaarden. De wederpartij moet in de eerste plaats beschikken over bepaalde informatie om deze te kunnen mededelen. De wederpartij moet er vervolgens rekening mee houden dat wordt gedwaald. Bovendien moet de wederpartij weten of begrijpen dat het punt waarover wordt gedwaald essentieel is voor de dwalende partij. Tot slot moet van de wederpartij gevergd kunnen worden dat zij de dwaling voorkomt. Dit laatste wordt terughoudend beoordeeld. Een wederpartij hoeft bijvoorbeeld de dwalende niet erop te wijzen dat een concurrent goedkoper is.
- De dwaling is ontstaan omdat beide partijen zijn uitgaan van dezelfde onjuiste veronderstelling. Er is dan sprake van wederzijde dwaling. Een praktijkvoorbeeld is wanneer zowel de koper als verkoper ervan uitgaan dat een tweedehandsauto probleemloos is of een bepaalde cruciale eigenschap heeft. Vervolgens blijkt dit achteraf niet te kloppen.
Geslaagd beroep mogelijk?
Wordt voldaan aan de bovenstaande vereisten, dan kan de dwalende partij in beginsel een beroep doen op dwaling. Of dit uiteindelijk leidt tot de vernietiging van de overeenkomst is echter mede afhankelijk van het verweer van de wederpartij. In het tweede deel van dit artikel wordt hier nader bij stilgestaan.
Banken zijn verplicht een register bij te houden om overkreditering te voorkomen. In de praktijk is dit uitbesteed aan de CKI van het BKR. Dit systeem komt erop neer dat wanbetalers bij een bank of mensen die (langdurig) rood hebben gestaan een BKR-registratie krijgen (wordt soms ook wel de zwarte lijst genoemd). Deze BKR-registratie blijft normaliter nog 5 jaren staan, nadat de schuld is voldaan. Gedurende die tijd kan het erg lastig zijn om een nieuw krediet van een bank te verkrijgen. Deze registratie kon dus verregaande negatieve gevolgen hebben.
In 2018 is door de Europese Unie echter de AVG ingevoerd. De AVG biedt een verregaande bescherming als het gaat om de verwerking van persoonsgegevens. Daaronder vallen ook BKR-registraties. Het was echter onduidelijk op welke grond (artikel 6 AVG) banken deze persoonsgegevens mochten verwerken. Afhankelijk van de grond, kan het moeilijker of makkelijker zijn om van een BKR-registratie af te komen.
Op 12 december 2021 heeft de Hoge Raad deze vraag beantwoord. De verwerkingsgrond is de artikel 6 lid 1 sub f AVG grond. Deze grond maakt het makkelijker voor mensen die geregistreerd staan om deze registratie aan te vechten. Sterker nog, de bank dient aan te tonen dat de belangen bij het aanhouden van de registratie zwaarder wegen dan het belang om de registratie te verwijderen. Hiermee heeft de Hoge Raad het aanzienlijk makkelijker gemaakt om BKR-registraties te verwijderen.